19/02/2026
Hij ploft op de bank, gaat op zijn zij liggen, staart kort voor zich uit en valt in slaap. Even later horen we hem snurken. “Door de ondergrens gezakt. Herken je het?”, vraag ik de begeleidster. Ze herkent het nu. “Kun je in je eigen woorden uitleggen hoe we de technieken observeren, aansluiten en toevoegen gecombineerd hebben met de techniek die we ingezet hebben voor het rondzingen van informatie in zijn hoofd?” Haar cliënt heeft een IQ van minder dan 50, is autistisch en is zeer slechthorend. De begeleidster pakt haar schrift erbij. Ze herhaalt wat ze de afgelopen twee uren gezien heeft bij de cliënt en de uitleg die ze van mij hoorde, maar ook in de praktijk terug zag. Haar cliënt communiceerde niet goed meer, gesproken taal kwam niet binnen, hij liet steeds meer spanning in zijn lichaam zien en at zijn brood niet verder. Ze raakte het contact met hem steeds verder kwijt en zijn gedrag ging de verkeerde kant op.
De begeleidster heeft net een half jaar theorie-training achter de rug. Of beter gezegd: bijna een jaar. Uitleg over vijf methoden die we in ons bedrijf gebruiken, die als puzzelstukjes tezamen een compleet beeld van een cliënt geven. En die tezamen informatie geven over communicatie van en door de cliënt. Maar ook van en door ons, als begeleiders.
“Ik zag inderdaad dat hij erg in zijn hoofd bleef hangen en dat je geen contact kreeg. De sleutel die je in gezet had was niet krachtig genoeg en trok hem niet naar buiten. Maar deze duidelijk wel. En toen zag je ook dat je het ‘elastiekje’ inzette: je trok eerst voldoende zijn aandacht en zette communicatie in. En door die passende communicatie bleef hij lang genoeg uit de rotonde in zijn hoofd, waardoor het elastiekje knapte en hij niet meer terug ging. Toen kon hij ontspannen. Ik besef nu dat hij dit echt niet zelf kan en dat je als begeleider echt precies moet weten hoe je met die interessevelden kunt werken, maar ook hoe belangrijk het is dat je dan weet wélke communicatiemiddelen je in kunt zetten, hoe je aan moet sluiten bij zijn communicatieniveau op dat moment en hoe je zijn conceptverhalen en codetaal moet kennen. Je ziet het hele proces echt in stappen gaan. En het ging exact zoals je van te voren voorspelt had. Heel interessant! Je ziet ook hoe moe hij wordt van die ‘rotonde’ waar hij op zit en hoeveel energie het hem kost om daar uit te komen. En ik besef dat je echt je cliënt goed moet kennen”.
Haar cliënt is ondertussen weer wakker. Want de vermoeidheid was geen slaap, maar had een andere oorzaak. Ook deze herkent ze. Haar cliënt gaat zitten en roept ‘andere iPad?’. Verbaal. Want deze cliënt werkt met gebaren en picto’s, tekeningen en lichaamstaal als hij problemen heeft die door autisme of epilepsie komen. Maar nu zijn volle hoofd weer keurig opgeruimd is, kan hij weer gesproken taal inzetten.
Ondersteunde communicatie is meer dan alleen een picto of spraakcomputer. Het gaat vooral om hoe, wanneer, wat en waarom je iets toepast.
Meer weten over onze trainingen? kijk op www.werkenmet-toc.nl of stuur een pb